5.Beoordeeld dient te worden of de burgemeester onder de gegeven omstandigheden bevoegd was om de woning aan de[adres] te sluiten. De bevoegdheid bestaat indien in de woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2014 heeft de politie op 25 juni 2014 in de woning een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Daarbij zijn onder meer 75 potten met potgrond, vijverfolie met afdrukken en hennepresten, diverse assimilatielampen- en kappen, transformatoren, ventilatoren en filters aangetroffen, alsmede een aantal flessen met plantenvoeding. Daarnaast zijn drie plastic zakken met hennepafval aangetroffen.
Uit het proces-verbaal van bevindingen, noch uit het hennepinformatiebericht van de politie en de rapportage hennepkwekerij deel I van 30 juni 2014 blijkt dat op 25 juni 2014 een middel als bedoeld in lijst I of II, in het bijzonder hennep, in de woning is aangetroffen.
Ter gelegenheid van de zitting is namens de burgemeester beaamd dat op 25 juni 2014 geen hennep in de woning is aangetroffen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat hij desondanks bevoegd is om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten omdat gelet op de aangetroffen situatie aannemelijk is in de woning een handelshoeveelheid hennep(planten) aanwezig is geweest. De burgemeester heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 juni 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9986. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester niet in zijn standpunt.
Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat voor toepassing van deze bepaling vereist is dat drugs in een pand aanwezig zijn, en dat drugs met een bepaalde bestemming (verkoop, aflevering of verstrekking) aanwezig zijn. De hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs kan een indicatie zijn dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn.
Volgens vaste rechtspraak is bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen (verg. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365). Het voorgaande laat onverlet dat ook in een situatie waarbij de hoeveelheid aangetroffen drugs de hoeveelheid voor eigen gebruik niet overstijgt, aannemelijk kan zijn dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Zo heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch in de door de burgemeester aangehaalde uitspraak het ondanks het feit dat met de aantroffen twee planten geen sprake was van een hoeveelheid groter dan de hoeveelheid voor eigen gebruik, gelet op de overige omstandigheden waarin de twee planten zijn aangetroffen, aannemelijk geacht dat de planten bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking.
Dat op basis van de overige omstandigheden aannemelijk kan worden geacht dat de aanwezige gebruikershoeveelheid drugs bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking, doet niet af aan het vereiste dat ter plaatse ten tijde van de constatering daadwerkelijk drugs aanwezig moet zijn. Tussen partijen staat vast dat op 25 juni 2014 in de woning geen middel als bedoeld in lijst I of II, in het bijzonder hennep, is aangetroffen.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester dan ook niet bevoegd om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan tot sluiting van de woning.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en zal het bestreden besluit schorsen.
Gelet op verzoekers toelichting ter zitting, moet het verzoek aldus worden begrepen dat de voorziening pas vervalt, als tegen de daaraan ten grondslag liggende besluitvorming geen enkel rechtsmiddel meer open staat. Artikel 8:85, tweede lid, van de Awb verzet zich echter tegen toewijzing van dat deel van het verzoek. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de schorsing van het bestreden besluit een dwangsom te verbinden.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toewijst, dient de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1).