Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
€ 125.000x 6% =
€ 7.500
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verwierp de overdrachtsbelasting van €44.000 die zij betaalde bij de aankoop van een agrarisch bedrijf met cultuurgrond. Zij beriep zich op de vrijstelling voor cultuurgrond zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel q van de Wet op de Belastingen van Rechtsverkeer (WBR).
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende een paardenbedrijf exploiteert dat zich voornamelijk richt op het trainen en opleiden van springpaarden, terwijl het fokken of houden van paarden slechts incidenteel plaatsvindt. De vrijstelling geldt echter alleen voor cultuurgrond die duurzaam en bedrijfsmatig ten behoeve van landbouw wordt geëxploiteerd, waarbij landbouw ruim wordt geïnterpreteerd als veeteelt, akkerbouw, weidebouw en dergelijke.
De rechtbank concludeerde dat het trainen en opleiden van springpaarden niet onder het begrip landbouw valt zoals bedoeld in de WBR. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting op de cultuurgrond. Het beroep van belanghebbende tegen de heffing werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 2 oktober 2014 en is openbaar uitgesproken in Breda.
Uitkomst: De vrijstelling van overdrachtsbelasting voor cultuurgrond is niet van toepassing omdat het paardenbedrijf zich richt op training en opleiding van springpaarden en niet op landbouw.