Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 2 oktober 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
“[naam vennootschap1]”,
“[naam vennootschap2]”en
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseressen, exploitanten van mosselpercelen binnen het gebied van het projectplan, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister tot uitvoering van de tweede fase van de drempelverwijdering in de vaarweg Boontjes. De werkzaamheden waren reeds uitgevoerd en de minister had de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseressen stelden dat het monitoringsplan onvoldoende was en dat de werkzaamheden negatieve effecten zouden hebben op de mosselstand.
De minister betoogde dat het beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een procesbelang, omdat de werkzaamheden afgerond waren en geen schade was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat eiseressen geen voldoende concreet en actueel belang hadden, mede omdat zij geen feitelijke schade of begin van bewijs daarvoor hadden geleverd. De resultaten van de monitoring toonden geen schade aan.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een concreet en actueel belang.