Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST BRABANT
vonnis van de kantonrechter d.d. 3 september 2014
[eiser],
Laurentius Project IV B.V.,
Laurentius,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De huurders van geliberaliseerde woonruimte aan een adres te Zeeland-West-Brabant vorderden dat de huurverhoging van 6,5% per 1 juli 2013 ongedaan zou worden gemaakt en dat de verhuurders achterstallig onderhoud en gebrekkig beheer zouden verhelpen. De verhuurders stelden dat de procedure ex artikel 7:207 lid 1 BW Pro niet van toepassing was op huurverhogingen bij geliberaliseerde huur en dat de huurprijs marktconform en redelijk was.
De rechtbank overwoog dat de procedure voor huurprijsvermindering bij geliberaliseerde huur niet via artikel 7:207 lid 1 BW Pro verloopt, maar via artikel 7:272 BW Pro jo. 274 lid 1 sub d BW. De huurders brachten vijf gronden aan voor vermindering van de huurprijs wegens gebreken, waaronder achterstallig onderhoud en duivenoverlast, maar deze waren onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. Ook de vermeende verpaupering van de woonomgeving viel niet onder de wettelijke definitie van gebrek.
De rechtbank oordeelde dat de huurverhoging marktconform was, gelet op een verklaring van een gecertificeerd makelaar-taxateur, en dat de huurders onvoldoende hadden gemotiveerd waarom de verhoging in hun concrete situatie onredelijk zou zijn. De vorderingen werden daarom afgewezen, maar de proceskosten werden gecompenseerd omdat de huurders door de verhuurders op het verkeerde been waren gezet over de juiste rechtsgang.
Uitkomst: De vorderingen van de huurders tot ongedaanmaking van de huurverhoging en herstel van onderhoud worden afgewezen.