Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende stelde dat zijn aanslag inkomstenbelasting over 2011 verminderd moest worden tot nihil, met beroep op artikel 40, tweede lid van de Grondwet, dat belastingvrijstelling regelt voor leden van het koninklijk huis. De rechtbank oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel alleen geldt als twee gevallen feitelijk en rechtens vergelijkbaar zijn of als ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbendes situatie niet vergelijkbaar is met die van leden van het koninklijk huis, die een uitkering ten laste van het Rijk ontvangen. De belastingvrijstelling is bedoeld om het vermogen van de Koning te beschermen en diens onafhankelijkheid te waarborgen, wat niet van toepassing is op belanghebbende.
Verder concludeerde de rechtbank dat de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever niet was overschreden en dat de vrijstelling een lex specialis vormt die voorrang heeft op de algemene belastingregels. Ook de stelling dat artikel 40, tweede lid van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten vanwege artikel 1.1 van de Wet IB 2001 werd verworpen.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat eventuele onzorgvuldigheden in de motivering van de bestreden uitspraak niet leiden tot vernietiging of vermindering van de aanslag. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op belastingvrijstelling voor leden van het koninklijk huis wordt afgewezen en de aanslag wordt bevestigd.