Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft in Duitsland een kampeerauto laten bouwen op een chassis-cabine van een vrachtwagen en deze in Nederland ingevoerd. De inspecteur legde een naheffingsaanslag bpm op, gebaseerd op een netto catalogusprijs van €124.200, waarbij de waarde van de opbouw met 15% werd verhoogd.
Belanghebbende betwistte de hoogte van de catalogusprijs en stelde dat de bijtelling voor de opbouw onterecht was en dat de inspecteur de hoorplicht en het motiveringsbeginsel had geschonden. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de hoorplicht en het fair-play beginsel niet had geschonden en dat het motiveringsbeginsel niet was overtreden.
De rechtbank stelde vast dat de netto catalogusprijs van de chassis-cabine door de importeur was vastgesteld op €108.000 en dat de bijtelling van 15% voor de opbouw niet aannemelijk was gemaakt. Gezien de leeftijd en aard van het onderzoek waarop de inspecteur zich baseerde, en het ontbreken van bewijs van belanghebbende, stelde de rechtbank de bijtelling vast op 7%, oftewel €7.560.
Hierdoor werd de netto catalogusprijs van de kampeerauto vastgesteld op €115.560, wat leidde tot vermindering van de naheffingsaanslag. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 26 februari 2015 door rechter M.M. de Werd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd op basis van een netto catalogusprijs van €115.560 met een bijtelling van 7% voor de opbouw.