ECLI:NL:RBZWB:2015:2733

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2015
Publicatiedatum
29 april 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5957
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227 GemeentewetArt. 3 Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Bedrijventerreinen 2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling reclamebelasting op bord huisartspraktijk zichtbaar vanaf openbare weg

Belanghebbende, een huisarts, maakte bezwaar tegen een aanslag reclamebelasting voor een bord aan de voorgevel van zijn praktijk. Het bord vermeldt informatie over de huisarts en is zichtbaar vanaf de openbare weg. De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg legde een aanslag op, die na bezwaar werd verminderd onder de voorwaarde dat het bord verwijderd zou worden.

De rechtbank stelde vast dat het bord inderdaad zichtbaar en leesbaar is vanaf de openbare weg en dat het een openbare aankondiging vormt in de zin van artikel 3 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Bedrijventerreinen 2014. De stelling van belanghebbende dat het bord geen reclame zou zijn, werd verworpen op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Belanghebbende voerde verder een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege het feit dat het bord al dertig jaar aanwezig is zonder dat eerder reclamebelasting werd geheven. Dit beroep werd afgewezen omdat geen sprake was van een bewuste beleidsstandpunt of toezegging van de heffingsambtenaar. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat een eerdere zaak bij rechtbank Haarlem niet vergelijkbaar was vanwege het verschil in zichtbaarheid van het bord.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanslag terecht is opgelegd. De rechtbank zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de reclamebelasting terecht is geheven.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer AWB 14/5957
uitspraak van 29 april 2015
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [plaats X],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 26 augustus 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2014 opgelegde aanslag reclamebelasting van € 500 (aanslagnummer [aanslagnummer]).
Zitting
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Aan belanghebbende is een aanslag reclamebelasting opgelegd ter zake van de aanwezigheid van een bord aan de voorgevel van het object [adres] te [plaats X]. Op dit bord is onder meer het volgende vermeld:
“[belanghebbende] huisarts spreekuur volgens afspraak”. Daaronder is een telefoonnummer vermeld en staat het woord
“praktijk”met daar direct onder een pijl naar links.
2.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2014 de aanslag verminderd tot € 333,33, er vanuit gaande dat belanghebbende het bord vóór 31 augustus 2014 heeft verwijderd.
2.3.
In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is de hoogte van de aanslag na vermindering. Ook is niet in geschil dat het object waarop het betreffende bord is bevestigd, gelegen is binnen de in artikel 2 van Pro de Verordening aangegeven gebieden waar reclamebelasting geheven kan worden.
2.4.
Op grond van artikel 227 van Pro de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven. Van deze bevoegdheid heeft de gemeente Tilburg gebruik gemaakt door in artikel 3 van Pro de “Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting Bedrijventerreinen 2014” (hierna: de Verordening) het volgende te bepalen:
“Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen de in artikel 2 van Pro deze verordening aangegeven gebieden, een directe belasting geheven ter zake van het hebben van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg.”
2.5.
Volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 30 maart 2007, nr. 42353, ECLI:NL:HR:2007:AX2154) dient onder de term
“openbare aankondigingen”te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd.
2.6.
De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat het onder 2.1 genoemde bord zichtbaar is vanaf een openbare weg. Gelet hierop en gelet op de grootte van het bord en de daarop vermelde tekst – beoordeeld aan de hand van de door partijen verstrekte foto’s – is aannemelijk dat de tekst op het bord vanaf de openbare weg leesbaar is. De tekst maakt aan het publiek kenbaar dat op dat adres een huisarts is gevestigd en geeft tevens informatie over de praktijk. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van reclame, laat onverlet dat sprake is van tot het publiek gerichte mededelingen zoals bedoeld in voornoemd arrest van de Hoge Raad. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat sprake is van openbare aankondigingen in de zin artikel 3 van Pro de Verordening.
2.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat het bord al dertig jaar aan de voorgevel hangt en dat hij in al die tijd nog nooit reclamebelasting heeft moeten betalen. De rechtbank merkt deze stelling aan als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep kan echter niet slagen. Het gedurende een aantal jaren afzien van het opleggen van aanslagen is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van schending door heffingsambtenaar van het in rechte te beschermen vertrouwen. Niet aannemelijk is dat de heffingsambtenaar zich tegenover belanghebbende over de mogelijke heffing ooit eerder heeft uitgelaten, of dat de indruk gewekt is dat het in eerdere jaren afzien van het opleggen van aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de heffingsambtenaar.
2.8.
Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel dient eveneens te worden verworpen. Belanghebbende heeft gesteld dat rechtbank Haarlem bij uitspraak van 6 oktober 2010, nr. 10/505, ECLI:NL:RBHAA:2010:4597, een collega huisarts in een soortgelijke procedure in het gelijk heeft gesteld. Die uitspraak, die door Hof Amsterdam in hoger beroep (ECLI:GHAMS:2012:BV6469), is bevestigd, had echter betrekking op een bord waarvan de tekst - met uitzondering van het huisnummer - vanaf de openbare weg niet zichtbaar was. In zoverre verschilt die zaak van de onderhavige zaak. De rechtbank acht dat verschil van wezenlijk belang voor het oordeel of sprake is van een openbare aankondiging als bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening.
2.9.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag terecht is opgelegd.
2.10.
Het bedrag van de vermindering van € 166,67 is blijkbaar alsnog bij belanghebbende nagevorderd toen de heffingsambtenaar ontdekte dat het bord niet was verwijderd. Of die navordering terecht is, kan de rechtbank in dit geding niet beoordelen. Daarvoor moet eerst bezwaar, en daarna beroep, tegen die navorderingsaanslag worden ingesteld.
2.11.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2015 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.