Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) van €120 over 2014 voor zijn BMW uit 1985, omdat de leeftijdsgrens voor vrijstelling was verhoogd van 25 naar 40 jaar. Hij stelde dat het hoorrecht was geschonden, dat hij op grond van een eerdere brief van de inspecteur recht had op vrijstelling (vertrouwensbeginsel), dat de overgangsregeling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, en dat de wetswijziging zijn eigendomsrecht aantastte.
De rechtbank oordeelde dat het hoorrecht niet leidde tot vernietiging omdat belanghebbende niet gebaat was bij terugwijzing en geen verschil van mening bestond over de feiten. Het vertrouwensbeginsel faalde omdat de brief van 2011 slechts verwees naar de toen geldende wetgeving en geen recht op vrijstelling na wetswijziging gaf. De rechtbank stelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de overgangsregeling en dat de regeling niet evident onredelijk of discriminerend is. Ook was er geen sprake van een buitensporige last die het eigendomsrecht schendt.
Belanghebbende's beroep op eerdere jurisprudentie en een rapport over de effectiviteit van de maatregel werden verworpen. De rechtbank veroordeelde de inspecteur in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. Het beroep werd ongegrond verklaard.