ECLI:NL:RBZWB:2015:3520
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verwijtbare werkloosheid wegens vertraagd ontslagbesluit politiefunctionaris
De korpschef van politie maakte op 4 maart 2013 het voornemen tot ontslag wegens functieongeschiktheid kenbaar aan de betrokken politiefunctionaris. Het definitieve ontslagbesluit volgde echter pas op 7 april 2014, ruim dertien maanden later. De rechtbank stelt vast dat deze vertraging betekent dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, een vereiste volgens artikel 7:678 BW Pro en de Werkloosheidswet (WW).
Het UWV had de WW-uitkering aanvankelijk toegekend maar niet uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid, omdat het ontslag volgens het UWV een dringende reden vormde en onverwijld had moeten plaatsvinden. De korpschef stelde dat er in de tussentijd geprobeerd was een minnelijke regeling te treffen, maar de rechtbank vond dat de korpschef onvoldoende voortvarend had gehandeld en de onderhandelingen niet tijdig had beëindigd.
De rechtbank concludeert dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag lag en dat de werkloosheid van de politiefunctionaris niet verwijtbaar is. Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de korpschef wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.