Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 februari 2015 en de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van comparitie van 28 april 2015.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres vordert schadevergoeding van gedaagde wegens seksueel misbruik in haar jeugd, met onder meer immateriële en materiële schade, psychische behandelingskosten en reiskosten. Het misbruik vond plaats tussen 1974 en 1981, waarna eiseres met haar ouders naar Frankrijk verhuisde. Pas in 2011 stelde zij gedaagde aansprakelijk en ontving zij een erkenning van het misbruik.
Gedaagde erkent het misbruik deels, maar betwist de omvang en de causaliteit van de klachten. Hij voert verjaring aan als hoofdverweer. De rechtbank oordeelt dat de absolute verjaringstermijn van twintig jaar, zoals neergelegd in art. 3:310 BW Pro, is verstreken in 1999. De door eiseres aangevoerde stuiting door erkenning in 2011 en het sturen van cadeaus wordt verworpen.
Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW Pro om de absolute verjaring te doorbreken faalt, omdat niet is voldaan aan de hoge uitzonderingscriteria. De rechtbank verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vorderingen en veroordeelt haar in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de vordering van eiseres niet ontvankelijk wegens verjaring en veroordeelt haar in de proceskosten van gedaagde.