Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten en griffierecht
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende en zijn broer hebben via hun holdings een kruislingse financiering opgezet waarbij leningen in Turkse Lira werden verstrekt met hoge rentepercentages, zonder dat zij valutarisico liepen. Deze constructie had als doel een fiscaal voordeel te behalen door renteaftrek te combineren met belastingheffing in een gunstiger regime.
De inspecteur legde navorderingsaanslagen en vergrijpboeten op wegens het niet accepteren van de renteaftrek boven 5,6%. Belanghebbende stelde dat geen sprake was van nieuw feit, kwade trouw of fraus legis, en betwistte de boeten.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht navordering toepast vanwege een nieuw feit, namelijk het samenstel van rechtshandelingen. De constructie wordt aangemerkt als fraus legis, omdat zij uitsluitend gericht was op belastingverijdeling zonder reëel economisch belang. De opgelegde boeten zijn passend wegens (voorwaardelijk) opzet, maar worden met 20% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De beroepen worden gegrond verklaard voor zover het de boeten betreft en ongegrond voor het overige. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in proceskosten en wijst griffierecht toe.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen worden bevestigd, de boeten worden gematigd wegens termijnoverschrijding.