Belanghebbende, de gemeente Tilburg, maakte bezwaar tegen de verhuurderheffing over 2013 voor 119 woningen, waaronder 62 anti-kraakwoningen en 33 Leegstandwetwoningen. De inspecteur stelde dat deze woningen tot de heffingsgrondslag behoren, terwijl belanghebbende dit betwistte.
De rechtbank overwoog dat het begrip 'verhuur' in de Wet verhuurderheffing moet worden uitgelegd aan de hand van het civielrechtelijke huurbegrip uit het Burgerlijk Wetboek. Voor de Leegstandwetwoningen werd vastgesteld dat sprake is van verhuur in civielrechtelijke zin en dat deze woningen daarom tot de heffingsgrondslag behoren, ongeacht de tijdelijke aard of uiteindelijke bestemming.
Ten aanzien van de anti-kraakwoningen concludeerde de rechtbank dat ondanks de gebruiksovereenkomst en vergoeding sprake is van huur in civielrechtelijke zin, omdat de vergoeding een tegenprestatie vormt en de overeenkomst kenmerken van huur vertoont. Hierdoor vallen ook deze woningen onder de verhuurderheffing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het geheven bedrag na uitspraak op bezwaar juist is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.