Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een vastgoed- en beleggingsmaatschappij, maakte bezwaar tegen de door haar afgedragen crisisheffing over 2013 en 2014. Zij stelde dat de heffing niet gebaseerd was op een juiste wettelijke grondslag en dat deze in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank verwees naar recente arresten van de Hoge Raad waarin werd vastgesteld dat de crisisheffing wettelijk is verankerd en niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank stelde vast dat de door belanghebbende aangevoerde vergelijkingen niet tot een andere conclusie leiden, omdat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij de vormgeving van de heffing.
Ook het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM werd verworpen. De rechtbank vond dat de crisisheffing een legitiem doel dient, voldoet aan het vereiste van 'lawfulness' en een fair balance waarborgt. De crisisheffing vormde geen buitensporige last, mede gezien de verhouding tot de totale loonsom.
De rechtbank concludeerde dat de beroepen ongegrond zijn en wees geen proceskosten toe. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 maart 2016.
Uitkomst: De beroepen tegen de crisisheffing 2013 en 2014 worden ongegrond verklaard.