Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 15 maart 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,
de Kamer voor de binnenvisserij, verweerder.
Staatsbosbeheer;
[naam vennootschap 1]’ ( [naam vennootschap 1] );
[naam vennototschap 2]’ ( [naam vennototschap 2] );
[naam vennootschap 3]’ ( [naam vennootschap 3] ).
Procesverloop
Overwegingen
Gelet op hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2007 is over-wogen, mocht de Kamer tot uitgangspunt nemen dat de visstand in de Reeuwijkse Plassen destijds goed was. Het bepaalde in de artikelen 22, 26 en 29 van de Visserijwet 1963 noopt de Kamer er niet toe om in alle gevallen voorafgaand aan het goedkeuren van overeenkomsten van huur en verhuur dan wel van schriftelijke toestemmingen uitgebreid onderzoek te doen naar de ontwikkeling van de visstand. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Kamer daartoe in dit geval slechts aanleiding behoefde te zien indien er concrete aanwijzingen waren dat de visstand sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2007 in betekenende mate was gewijzigd.”