Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verkocht een bedrijfspand vrij van huur aan een bank in het kader van financiering, waarbij een nieuwe huurovereenkomst tussen de bank en de huurder werd gesloten. Belanghebbende kreeg de mogelijkheid het pand later in verhuurde staat terug te kopen. Bij de terugkoop werd overdrachtsbelasting voldaan, waarvan belanghebbende teruggaaf vorderde op grond van een vrijstelling in de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV).
De rechtbank stelde vast dat partijen een koopoptie en geen ontbindende voorwaarde waren overeengekomen zoals bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet BRV. Daarnaast was er geen feitelijk en rechtens herstel van de toestand van vóór de verkrijging, omdat het pand bij terugkoop in verhuurde staat werd verkregen terwijl het bij levering vrij van huur was geleverd. De nieuwe huurovereenkomst tussen de bank en de huurder en de hogere huurprijs wezen niet op een doorlopende huur.
Belanghebbende kon geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat de situatie van een tripartite overeenkomst afweek van de voorafgaande akkoordverklaring van de inspecteur. De rechtbank wees het beroep af, kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op vrijstelling overdrachtsbelasting wordt afgewezen; belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 2.500 toegekend.