Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld (…)”
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een diplomaat met een woning in Nederland, was uitgezonden naar het buitenland. Tijdens zijn uitzending bleven zijn dochters in de woning wonen en maakte ook zijn neef gebruik van de woning. De inspecteur weigerde de woning als eigen woning aan te merken voor de jaren 2010 tot en met 2012, omdat de woning aan een derde ter beschikking was gesteld.
De rechtbank toetste of het gebruik van de woning door de neef kwalificeert als terbeschikkingstelling aan een derde in de zin van artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad en de feitelijke situatie, waarbij de neef niet tot het huishouden behoorde en gebruik maakte van de woning, werd geoordeeld dat sprake was van terbeschikkingstelling.
Belanghebbendes beroep op het redelijkheidbeginsel en disproportionele uitwerking van de wet faalde, omdat de rechter niet de innerlijke waarde van de wet mag toetsen en de navorderingsaanslagen binnen de wettelijke termijn waren opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De woning wordt niet als eigen woning aangemerkt vanwege terbeschikkingstelling aan een derde, beroep ongegrond verklaard.