Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
- Belanghebbende was door haar koffiehandel in de periode 2006 tot en met 2008 bekend met het feit dat de bedrijven die op voordracht van [O] ( [O] ) werden beleverd risicovol waren
- Belanghebbende is in mei 2010 (opnieuw) gestart met de koffiehandel en heeft in anderhalf jaar tijd €15,7 miljoen omzet behaald. [AA] werd daarbij vaak door [O] geïnformeerd over nieuwe afnemers. Ook [N] is bij belanghebbende door [O] geïntroduceerd.
- De transacties hebben een zeer hoge factuurwaarde; bij belanghebbende gemiddeld iets meer dan € 100.000; de betalingen van de afnemers waren contant. [AA] gebruikte een van [O] gekregen mobiele telefoon om af te spreken waar en hoe laat hij de contanten in ontvangst zou nemen.
- Belanghebbende verkocht koffie achtereenvolgens aan drie bedrijven waarvan [N] directeur was, en liet leveringen aan een vierde bedrijf ( [G SARL] ) verrichten door het transportbedrijf van [N] . Voort blijkt dat [N] in Duitsland is vastgezet vanwege fraude met koffie.
- In de keten werd veel gewerkt met net met de koffiehandel beginnende vennootschappen, die relatief kort, en bijna steeds volgtijdelijk, beleverd werden door belanghebbende.
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken voor zover die betrekking hebben op de boetebeschikkingen;
- vernietigt de boetebeschikkingen;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van tweemaal € 328 aan deze vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: