Belanghebbende, handelaar in motorfietsen, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboeten opgelegd over de jaren 2009 en 2010 na boekenonderzoeken in 2011 en 2013. De inspecteur stelde dat belanghebbende contante ontvangsten niet volledig had verantwoord en intracommunautaire leveringen onterecht met het nultarief had aangegeven.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat hij niet alle feiten kon betwisten, dat hij geen kasadministratie bijhield en dat motoren door Belgische afnemers persoonlijk waren opgehaald, zonder schriftelijk bewijs. De rechtbank verwierp het beroep op opgewekt vertrouwen en concludeerde dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd.
De rechtbank wees het verzoek om getuigen te horen af wegens onvoldoende relevantie. De vergrijpboeten werden deels bevestigd, met name wegens voorwaardelijk opzet en listigheid, maar de boeten werden gematigd vanwege de ernst en overschrijding van de redelijke termijn. De boete voor het aansluitverschil werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van grove schuld.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De beroepen werden gegrond verklaard voor zover zij betrekking hadden op de vergrijpboeten en ongegrond voor het overige.