Belanghebbende heeft een onroerende zaak gekocht die oorspronkelijk als woning was gebouwd en later dienst deed als militair hospitaal en opvangcentrum voor drugsverslaafden. De inspecteur legde een tarief van 6% overdrachtsbelasting op, stellende dat de aard van het pand was gewijzigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de onroerende zaak kwalificeert als woning in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De rechtbank stelde vast dat de onroerende zaak naar haar aard bestemd was voor bewoning, met een woonbestemming volgens het bestemmingsplan en dat de tijdelijke inrichting als opvangcentrum onvoldoende was om de aard te wijzigen.
De rechtbank concludeerde dat de verkrijging belast is met het lagere tarief van 2% overdrachtsbelasting en vernietigde de uitspraak op bezwaar. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.