Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking opgelegd met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen bij de Kredietbank Luxemburg over de jaren 2008 tot en met 2012. Deze beschikking is gehandhaafd na bezwaar en belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende en zijn echtgenote per 31 januari 1994 beschikten over bankrekeningen bij de KBL en dat de inspecteur op grond van artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gerechtigd was om informatie te vragen die van belang kon zijn voor de belastingheffing. De vragen van de inspecteur waren gericht op het controleren van de juistheid van de aangiften.
Belanghebbende heeft de vragen echter niet adequaat beantwoord door slechts te stellen dat de aangiften correct waren. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is en dat de inspecteur terecht de informatiebeschikking heeft gegeven. De rechtbank stelt belanghebbende een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt twee weken de tijd om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.