Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in 2013 in dienst bij [A BV], maar verrichtte vanaf dat jaar geen werkzaamheden meer terwijl hij wel salaris ontving. Daarnaast werkte hij vanaf 22 januari 2013 bij [B VOF]. De inspecteur kwalificeerde het salaris van [A BV] als inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor arbeidskorting slechts werd toegekend over het inkomen van de VOF.
Belanghebbende stelde dat het salaris van [A BV] als inkomen uit tegenwoordige arbeid moest worden beschouwd, omdat hij als werknemer werd behandeld en gebruik kon maken van werknemersfaciliteiten. De rechtbank oordeelde dat voor arbeidskorting vereist is dat het inkomen een directe beloning is voor daadwerkelijk verrichte arbeid, wat hier niet het geval was.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van zieke werknemers die wel arbeidskorting ontvangen, werd verworpen omdat de wetgever voor die gevallen een specifieke regeling heeft getroffen. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat een voorlopige aanslag geen redelijke verwachtingen kan scheppen.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur de arbeidskorting terecht heeft vastgesteld op een laag bedrag gebaseerd op het inkomen uit tegenwoordige arbeid bij de VOF en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op arbeidskorting over het salaris ontvangen zonder arbeid te verrichten tijdens non-actiefstelling.