Belanghebbende was in 2006 in dienst bij een werkgever maar was vanaf eind 2005 vrijgesteld van het verrichten van arbeid en aangemerkt als boventallig. Gedurende dat jaar was hij verplicht inspanningen te verrichten voor reïntegratie, maar verrichtte feitelijk geen arbeid. De Inspecteur had bij de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen de arbeidskorting toegepast, welke door het Hof werd vernietigd omdat geen sprake was van inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
Het geschil betrof of belanghebbende aanspraak kon maken op arbeidskorting en of interne compensatie van de vermindering van de aanslag met het premiedeel van de arbeidskorting mogelijk was. Het Hof oordeelde dat de arbeidskorting ten onrechte was toegekend en dat interne compensatie mogelijk was, inclusief het premiedeel.
De Hoge Raad bevestigde dat inkomsten alleen recht geven op arbeidskorting indien deze direct verband houden met tegenwoordige arbeid. De verplichtingen tijdens het reïntegratietraject kwalificeren niet als tegenwoordige arbeid. Wel oordeelde de Hoge Raad dat interne compensatie niet mogelijk is voor het premiedeel van de arbeidskorting vanwege het afzonderlijke karakter van de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
De Hoge Raad vernietigde het Hofarrest voor zover interne compensatie met het premiedeel werd toegepast en stelde de arbeidskorting vast op €1260. Proceskosten werden niet aan belanghebbende toegekend.