Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, werd aansprakelijk gesteld voor niet betaalde naheffingsaanslagen over de laatste drie kwartalen van 2014 en het eerste kwartaal van 2015. Deze aansprakelijkstelling werd door de ontvanger gehandhaafd na bezwaar.
Belanghebbende voerde aan dat de aansprakelijkstelling in strijd was met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, verwijzend naar het arrest Federation of Technological Industries van het Hof van Justitie. De rechtbank oordeelde echter dat deze situatie niet vergelijkbaar was met het arrest, aangezien de fiscale eenheid als één ondernemer wordt beschouwd en de aansprakelijkheid daardoor gerechtvaardigd is.
De rechtbank benadrukte dat artikel 43 van Pro de Invorderingswet 1990 een noodzakelijke maatregel is ter bescherming van de schatkist en dat de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen een fiscale eenheid rechtmatig is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslagen omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.