Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende op 26 november 2013 haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2012 in, gevolgd door een tweede aangifte in januari 2014 met een hoger inkomen. De inspecteur legde pas in 2015 de definitieve aanslag met belastingrente op, die later werd verlaagd. De rechtbank oordeelde dat de tweede aangifte als een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag had moeten worden aangemerkt, waarop binnen acht weken beslist had moeten worden.
De belastingrente had volgens de rechtbank berekend moeten worden over de periode van 1 juli 2013 tot de dag waarop het verschil invorderbaar werd, conform artikel 30fb, vijfde lid, AWR. De inspecteur had de rente niet te hoog vastgesteld. Belanghebbende's stelling dat de rente slechts over een kleiner bedrag mocht worden berekend, werd verworpen omdat de inspecteur mocht uitgaan van de ingediende aangifte.
Verder stelde belanghebbende dat zij rente over de teruggaaf van belastingrente moest ontvangen, maar de rechtbank vond hiervoor geen grond, mede omdat de wettelijke rente onder het minimum van € 10 bleef. Klachten over schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden eveneens ongegrond verklaard. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de berekening van de belastingrente is ongegrond verklaard.