Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende deed op 26 november 2013 aangifte inkomstenbelasting 2012 en ontving op 20 januari 2014 een onterechte teruggaaf van € 6.300. De Inspecteur berekende belastingrente vanaf 1 juli 2013, conform de wettelijke regeling. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de rente vanaf de datum van aangifte of ontvangst van de gelden berekend had moeten worden.
De rechtbank wees het beroep af, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof oordeelde dat de wettelijke regeling van belastingrente een gefixeerde compensatie voor renteschade is, waarbij bewust is gekozen voor een aanvangstijdstip zes maanden na afloop van het belastingjaar. Dit is bedoeld als vereenvoudiging en sluit aan bij de wetsgeschiedenis.
Het Hof verwierp het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de Inspecteur in redelijkheid mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte bij het opleggen van de voorlopige aanslag en geen noodzaak bestond om het dossier van de partner te raadplegen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en détournement de pouvoir werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.