Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende woonde in 2012 in het Verenigd Koninkrijk en werkte als zeevarende op een schip dat voer onder Nederlandse vlag. Hij deed aangifte in Nederland en verzocht om vermindering van zijn premie-inkomen tot nihil. De inspecteur legde een definitieve aanslag op met het wettelijke maximum premie-inkomen.
De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 11, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 de socialezekerheidswetgeving van Nederland van toepassing is op zeevarenden die werken op een schip onder Nederlandse vlag. Hierdoor is belanghebbende het gehele jaar verzekerd en premieplichtig in Nederland.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende, omdat de inspecteur terecht de voorlopige teruggaaf had gecorrigeerd en verrekend bij de definitieve aanslag. Er was geen schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De aanslag was binnen de wettelijke termijn opgelegd en de verschillen met aanslag over 2013 waren verklaarbaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.