Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende voerde beroep aan tegen aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (IB/PVV), Zorgverzekeringswet (Zvw) en naheffingsaanslag omzetbelasting over 2010 en 2011. De inspecteur had deze aanslagen opgelegd wegens vermoedelijke onjuiste aangiften en niet aangegeven inkomsten, deels gebaseerd op informatie van Holland Casino (HC) en een vermogensvergelijking.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de bewijslast droeg om aan te tonen dat belanghebbende meer inkomsten en omzet had dan aangegeven. Voor 2010 en 2011 werd vastgesteld dat belanghebbende aanzienlijke bedragen niet had aangegeven, waarbij de rechtbank de verklaringen van belanghebbende over gokwinsten niet aannemelijk achtte. De naheffingsaanslag omzetbelasting werd verminderd, en de boetes werden verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat belanghebbende ten onrechte niet tijdig is gehoord in de bezwaarfase, wat mede leidde tot gegrondverklaring van de beroepen. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren en griffier Van Heel op 13 april 2016.
Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard, naheffingsaanslag en boetes verminderd en immateriële schadevergoeding toegekend.