Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van [C BV], werd aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 83.702 aan onbetaalde vennootschapsbelasting van [A/B], een vennootschap waarvan hij aandelen had geleverd. De rechtbank stelde vast dat het vermogen van [A/B] was verminderd door dividenduitkeringen en een overboeking naar een derdenrekening, wat niet viel onder normale bedrijfsuitoefening.
Belanghebbende voerde aan dat sprake was van reguliere dividenduitkeringen en dat hij zich kon disculperen, onder meer door te wijzen op een fiscale eenheid en een afwaardering van een vordering. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd dat het niet aan hem te wijten was dat het vermogen ontoereikend was, mede omdat hij onvoldoende onderzoek had gedaan naar de fiscale situatie en geen waarborgen had getroffen.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de aansprakelijkstelling. Daarnaast kende de rechtbank een vergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep. De ontvanger werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.