Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 19 december 2016 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,
het bestuur van de rechtbank Oost-Brabant, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
- Verzoeker heeft op 11 juli 2016 bij het voorstellen van [naam collega] haar geen hand gegeven op grond van haar (religieuze) afkomst;
- Verzoeker heeft op 12 juli 2016 tegen een andere medewerkster van het parket gezegd: ‘Hé, die nieuwe collega, wordt die vandaag voorgeleid? Is ze wel gescreend?’ en ‘Ik heb gewoon niet zoveel met die mensen. Het is al eerder misgegaan. Zeg er maar niets over tegen de rest.’ Deze opmerkingen zijn gemaakt in het licht van de religieuze afkomst van [naam collega];
- Verzoeker heeft op 15 juli 2016 tegen weer een andere medewerkster van het parket gezegd: ‘Je weet toch hoe dat gaat, ze zijn beïnvloedbaar van buitenaf, we hebben er meer van gehad, het zal niet de eerste zijn.’ En op haar vraag: ‘Maar is het ergens op gebaseerd?’ heeft verzoeker geantwoord: ‘De tijd zal het leren.’
Beslissing
- schorst het bestreden besluit per 16 januari 2017 tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker per 16 januari 2017 zijn werkzaamheden kan hervatten op het kabinet RC;
- draagt het bestuur op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992,-.