ECLI:NL:CRVB:2014:885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontheffing en overplaatsing ambtenaar wegens verstoorde werkverhouding
Appellant was afdelingshoofd bij Rijkswaterstaat en raakte betrokken bij een incident tijdens een managementconferentie in 2009. Vanaf eind 2009 voerde zijn leidinggevende regelmatig gesprekken met appellant over zijn functioneren, waarbij werd vastgesteld dat hij onvoldoende functioneerde als manager en MT-lid. Er werd een vaststellingsovereenkomst besproken om appellant een passende functie zonder managementtaken te laten vervullen.
In mei 2011 droeg de minister appellant tijdelijk andere werkzaamheden op wegens een verstoorde werkverhouding en een lopend onderzoek. Dit besluit werd door de rechtbank en later door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. Vervolgens werd appellant in november 2011 overgeplaatst naar een passende functie met behoud van bezoldiging, ook dit besluit werd bekrachtigd ondanks het bezwaar van appellant.
De Raad oordeelde dat de minister terecht gebruik heeft gemaakt van zijn ruime beoordelingsvrijheid bij het opleggen van tijdelijke werkzaamheden en dat er voldoende grond was voor de ontheffing uit de oorspronkelijke functie. Het functioneren van appellant werd als onvoldoende beoordeeld, mede op basis van een extern rapport. De nieuwe functie werd als passend beschouwd, ook al betrof het geen zuiver juridische functie zoals appellant wenste.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de besluiten tot tijdelijke andere werkzaamheden en overplaatsing wegens verstoorde werkverhouding en onvoldoende functioneren.