Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een gemeente, maakte bezwaar tegen de wijze waarop de inspecteur de compensabele btw-component in het mengpercentage voor het BTW-compensatiefonds (BCF) afrondde. De inspecteur had het percentage afgerond op twee decimalen, terwijl de gemeente vond dat het afgerond moest worden op het naastgelegen hogere gehele getal. De gemeente beriep zich hierbij op de rechtstreekse werking van artikel 175, eerste lid, van de BTW-richtlijn.
De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van een bijdrage uit het BCF een zuiver nationale aangelegenheid betreft en niet ziet op de heffing van omzetbelasting. Hierdoor is de rechtstreekse werking van de BTW-richtlijn niet van toepassing op de BCF-bijdragen. De schakelbepaling in de Wet BCF brengt niet mee dat de bepalingen van de BTW-richtlijn rechtstreeks van toepassing zijn op de BCF-bijdragen.
De rechtbank verwierp daarom het beroep en verklaarde het ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 maart 2017.
Uitkomst: Het beroep van de gemeente tegen de afrondingswijze van de compensabele btw-component in het BCF-mengpercentage wordt ongegrond verklaard.