Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was bestuurder van een vennootschap die loonheffingen niet volledig betaalde over verschillende perioden in 2009. Na naheffingsaanslagen en een betaling die onjuist werd afgeboekt op een latere aanslag, werd belanghebbende aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet voor de onbetaalde loonheffingen over periode 7 van 2009.
Het geschil betrof de vraag of de betaling van 31 juli 2009, die door het hof als gerichte betaling op periode 5 was aangemerkt, ook de belastingschuld over periode 7 had doen tenietgaan. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, omdat de naheffingsaanslag over periode 7 onbetaald bleef en de betaling niet voor die periode gold.
De rechtbank verwierp het verweer van belanghebbende dat de schuld over periode 7 was verdwenen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 april 2017.
Uitkomst: Belanghebbende is terecht aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde loonheffingen over periode 7 van 2009 en het beroep wordt ongegrond verklaard.