Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2017:3131

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 april 2017
Publicatiedatum
22 mei 2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 1917
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbAlgemene wet bestuursrechtAlgemene wet inzake rijksbelastingenInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aansprakelijkstelling en verzoek uitstel betaling naheffingsaanslagen

Belanghebbende, bestuurder en aandeelhouder van twee BV's, is aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen omzetbelasting en bijbehorende boetes en rente die niet zijn betaald. De bezwaren tegen deze aansprakelijkstellingen zijn eerder ongegrond verklaard, waarbij de bedragen ambtshalve zijn verminderd.

Ter zitting erkende belanghebbende de aansprakelijkheid en betwistte de hoogte van de aanslagen niet. Zijn beroep richt zich op het verkrijgen van uitstel van betaling, omdat hij verwacht in de toekomst over voldoende middelen te beschikken. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen inhoudelijke gronden tegen de aansprakelijkstellingen heeft en verklaarde het beroep ongegrond.

Daarnaast is belanghebbende in zijn verzoek om uitstel van betaling niet geslaagd, omdat de rechtbank niet bevoegd is dit te verlenen; deze bevoegdheid ligt bij de ontvanger van de Belastingdienst. Belanghebbende kan tegen een afwijzing administratief beroep instellen of zich tot de civiele rechter wenden. Het beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht is wel gehonoreerd, waardoor geen verzuim is ontstaan.

Uitkomst: Het beroep tegen de aansprakelijkstelling is ongegrond verklaard en de rechtbank is onbevoegd voor het verzoek om uitstel van betaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 16/1917
uitspraak van 13 april 2017
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de ontvanger van de Belastingdienst,
de ontvanger.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de ontvanger van 10 februari 2016 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem met dagtekening 16 april 2015 afgegeven beschikkingen tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 met de kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] (hierna: de beschikkingen aansprakelijkstelling).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de ontvanger,
[ontvanger 1] en [ontvanger 2] .

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de beschikkingen aansprakelijkstelling;
  • verklaart zich onbevoegd met betrekking tot het verzoek om uitstel van betaling.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [A BV] en middellijk aandeelhouder en enig bestuurder van [B BV] (hierna: de BV’s).
2.2.
Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor bepaalde aan de BV’s opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting en daarop betrekking hebbende boeten, rente en/of invorderingskosten (hierna: de naheffingsaanslagen), die niet zijn betaald. Bij uitspraken op bezwaar zijn de bezwaren ongegrond verklaard; wel zijn in dat geschrift de bedragen van de aansprakelijkstellingen (ambtshalve) verminderd.
2.3.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij terecht aansprakelijk is gesteld voor de naheffingsaanslagen. Ook is de hoogte van de naheffingsaanslagen niet in geschil. Belanghebbende heeft verder verklaard dat hij verwacht dat hij in de toekomst over voldoende geldmiddelen zal beschikken om de naheffingsaanslagen te kunnen betalen en dat zijn beroep erop is gericht om uitstel van betaling te verkrijgen tot hij over die geldmiddelen kan beschikken.
Vooraf
2.4.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Belanghebbende heeft daartoe stukken overgelegd. Gelet op de inhoud daarvan, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd (vgl. HR 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, BNB 2015/197). Het niet betalen van het griffierecht leidt daarom niet tot verzuim, als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Met betrekking tot de beschikkingen aansprakelijkstelling
2.5.
Gelet op wat in 2.3 is vermeld heeft belanghebbende – zoals ter zitting ook geconstateerd – geen inhoudelijke gronden tegen de beschikkingen. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de beschikkingen aansprakelijkstelling.
Met betrekking tot het verzoek om uitstel van betaling
2.6.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift om uitstel van betaling verzocht. Zoals ter zitting toegelicht is de rechtbank in deze procedure niet bevoegd uitstel van betaling te verlenen. De ontvanger is wel bevoegd om daarover een beslissing te nemen. Tegen een eventuele afwijzende beslissing kan administratief beroep worden ingesteld bij de directeur van de Belastingdienst. Ook heeft belanghebbende de mogelijkheid om zich rechtstreeks te wenden tot de civiele rechter. De rechtbank heeft zich daarom onbevoegd verklaard ter zake van voornoemd verzoek.
2.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 13 april 2017 door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof. mr. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.