Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, mede-eigenaar van 48 huurwoningen, heeft bezwaar gemaakt tegen de verhuurderheffing 2015 die op hem is gelegd op grond van de WOZ-beschikkingen die aan hem als oudste mede-eigenaar zijn bekendgemaakt. De rechtbank stelt vast dat de verhuurderheffing volgens de wet € 34.964 bedraagt en dat belanghebbende tijdig bezwaar en beroep heeft ingesteld.
De rechtbank onderzoekt of belanghebbende terecht belastingplichtig is gesteld. De wet bepaalt dat bij meerdere genothebbenden de heffing wordt gelegd bij degene aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Het gemeentelijke beleid wijst deze beschikking toe aan de oudste mede-eigenaar. Belanghebbende betoogt dat dit beleid onredelijk en willekeurig is en in strijd met grondwettelijke en mensenrechtelijke bepalingen.
De rechtbank oordeelt dat toetsing van het gemeentelijke beleid in deze procedure niet aan de orde is, omdat belanghebbende dit niet in bezwaar tegen de WOZ-beschikkingen heeft aangevochten. Verder wordt geoordeeld dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de regeling en dat het onderscheid op basis van leeftijd niet evident onredelijk is. Ook de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel, het verbod op willekeur en het recht op ongestoord eigendom (artikel 1 EP Pro EVRM) faalt, omdat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd van een buitensporige last.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter W.A.P. van Roij en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen de verhuurderheffing wordt ongegrond verklaard.