Belanghebbende, een dirigent van diverse zangkoren, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboeten opgelegd over de jaren 2008 tot en met 2011. De kern van het geschil betrof de toepassing van het verlaagde tarief (6%) op de vergoeding voor repetities, die nauw samenhangen met uitvoeringen. De inspecteur handhaafde de aanslagen en boetes, maar stelde ter zitting de boetes te laten vervallen.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende op grond van de Wet OB 1968 recht heeft op het verlaagde tarief voor zowel uitvoeringen als repetities. De inspecteur voerde aan dat terugwerkende kracht aan de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 oktober 2011 niet toekomt, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet relevant is bij naheffingsaanslagen. Daarom moeten de naheffingsaanslagen worden vernietigd.
Belanghebbende verzocht daarnaast om immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure. De rechtbank vond dat bijzondere omstandigheden een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, waardoor geen overschrijding is en geen recht op vergoeding bestaat. De rechtbank veroordeelde de inspecteur wel in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.