Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een serre en werd geconfronteerd met leges van €533,16. De kern van het geschil betrof de vraag of de Verordening op de heffing en invordering van leges 2016-I, waarop de leges zijn gebaseerd, verbindend is, mede vanwege een vermeende overschrijding van de opbrengstlimiet.
De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (BNB 2014/148) en stelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht moet geven in de geraamde baten en lasten, maar niet tot in detail alle kosten hoeft te onderbouwen. Het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht toonde aan dat de totale baten 77,4% van de lasten bedragen, wat geen overschrijding van de opbrengstlimiet betekent.
Belanghebbende stelde specifieke vragen over bepaalde kostenposten en baten, waarop de heffingsambtenaar ter zitting en in het verweerschrift voldoende toelichting gaf. De rechtbank oordeelt dat deze toelichting voldoet aan de wettelijke eisen en dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over de kostenramingen.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat de Verordening verbindend is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de legesverordening is verbindend.