Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak, verhuurde deze aan een BV die vanaf 2010 geen huur meer betaalde. In 2012 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij de openstaande huurvordering werd voldaan door opboeking in rekening-courant, wat de rechtbank eerder kwalificeerde als schuldvernieuwing. In 2013 werd de huurovereenkomst beëindigd en de omzetbelasting over de periode tot dan berekend.
Beide partijen werden failliet verklaard en de curator van belanghebbende riep in 2015 de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst in op grond van faillissementspauliana. Belanghebbende verzocht daarop om teruggaaf van omzetbelasting over het derde kwartaal 2015, welke door de inspecteur werd afgewezen en gehandhaafd bij bezwaar.
De rechtbank stelde vast dat de vaststellingsovereenkomst schuldvernieuwing inhoudt, waardoor belanghebbende de vergoeding heeft ontvangen. De curator stelde dat de vernietiging van de overeenkomst recht geeft op teruggaaf, maar de rechtbank oordeelde dat de vernietiging slechts relatieve werking heeft ten opzichte van de boedel en niet tegenover de inspecteur. Hierdoor blijft de schuldvernieuwing in de verhouding tussen belanghebbende en inspecteur bestaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om teruggaaf af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 oktober 2017.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om teruggaaf omzetbelasting afgewezen.