Belanghebbende, een vennootschap, maakte aanspraak op aftrek van een liquidatieverlies van €472.553 over het jaar 2011 naar aanleiding van de ontbinding van een deelneming, [E BV]. De inspecteur stelde het verlies op nihil en beperkte de aftrek tot €18.253, met als reden dat het verlies verminderd moest worden met de waardedaling van een onderliggende deelneming, [I BV].
De rechtbank heeft het geschil beoordeeld aan de hand van artikel 13d, vierde lid, eerste volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat bepaalt dat liquidatieverlies slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het verlies het bedrag van waardedaling van een deelneming te boven gaat. De rechtbank concludeert dat niet is gesteld noch aannemelijk is geworden dat het liquidatieverlies is veroorzaakt door een waardedaling van de aandelen in [I BV].
De waardevermindering betreft de aandelen in de geliquideerde vennootschap zelf, niet de onderliggende deelneming. Daarom is de aftrekbeperking niet van toepassing. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, handhaaft de aanslag op nihil belastbaar bedrag en stelt het verlies over 2011 vast op €379.910. Tevens veroordeelt zij de inspecteur in de proceskosten van €1.482 en vergoedt het griffierecht van €334 aan belanghebbende.