ECLI:NL:RBZWB:2018:2599

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2018
Publicatiedatum
30 april 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7099
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 12, zevende lid, Procesregeling bestuursrecht 2013
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht bij aanslag leges

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een aanslag leges opgelegd door de gemeente Tilburg. De rechtbank wees belanghebbende schriftelijk en aangetekend op de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling.

Uit onderzoek bleek dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan, maar pas na afloop daarvan. Er was geen sprake van omstandigheden die het verzuim konden rechtvaardigen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en gaf aan dat het te laat betaalde griffierecht zal worden terugbetaald aan de gemachtigde van belanghebbende. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 17/7099
uitspraak van 30 april 2018
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats A],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 27 oktober 2017, ingekomen bij de rechtbank op 1 november 2017, heeft de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], beroep ingesteld tegen de uitspraak op het bezwaarschrift betreffende de opgelegde aanslag leges met aanslagnummer [aanslagnummer].
De gemachtigde van belanghebbende is schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. Bij aangetekende brief van 2 december 2017 is de gemachtigde van belanghebbende nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.

2.Motivering

Belanghebbende is voor het door haar ingestelde beroep € 333 aan griffierecht verschuldigd (artikel 8:41, eerste en tweede lid, van de Awb). Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort (artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb). Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 8:41, zesde lid, van de Awb).
De rechtbank stelt vast dat de brief van 2 december 2017 aangetekend is verzonden. Uit navraag bij PostNL is gebleken dat de aangetekende brief van 2 december 2017 op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift is aangeboden.
In de aangetekende brief van de rechtbank van 2 december 2017 is meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank. Tevens is vermeld dat, indien van deze gelegenheid niet binnen de termijn gebruik is gemaakt, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Uit de administratie van de rechtbank is gebleken dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan, maar pas op 11 januari 2018. Gesteld, noch gebleken is dat sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het te laat betaalde griffierecht op grond van artikel 12, zevende lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 aan de gemachtigde van belanghebbende is of zal worden terugbetaald.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van V.W. Derks, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.