Eisers, exploitanten van een agrarisch bedrijf te Baarle-Nassau, stelden beroep in tegen bestuursdwangbesluiten van het college van burgemeester en wethouders vanwege overtredingen van de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit. Het betrof onder meer geuroverlast en verontreinigde mest met drugsgerelateerde stoffen. Het college had spoedeisende bestuursdwang toegepast en lasten opgelegd.
De rechtbank onderzocht haar bevoegdheid om kennis te nemen van de beroepen. Uit de toepasselijke wettelijke bepalingen volgt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) exclusief bevoegd is voor beroepen tegen besluiten die betrekking hebben op handhaving van de Wet milieubeheer, waaronder ook kostenbesluiten voor bestuursdwang. De rechtbank kan alleen kennisnemen van handhaving van het Bouwbesluit.
Eisers verzochten de rechtbank toch bevoegd te verklaren, verwijzend naar efficiëntie en eerdere jurisprudentie, maar de rechtbank volgde de vaste lijn van de AbRS en concludeerde dat zij onbevoegd is. De beroepen worden doorgezonden aan de AbRS. Het betaalde griffierecht wordt aan eisers vergoed vanwege een onjuiste rechtsmiddelenclausule in de bestreden besluiten. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 juni 2018 en is openbaar. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de AbRS.