Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, van Indiase afkomst, kwam in 2011 voor studie naar een stad in Duitsland binnen 150 kilometer van Nederland. Na afronding van zijn studie werkte hij tijdelijk in Duitsland voordat hij in 2015 in Nederland in dienst trad. Hij verzocht om toepassing van de 30%-regeling, een fiscale regeling voor ingekomen werknemers.
De kern van het geschil was of belanghebbende voldeed aan de 24-maandstoets, die vereist dat hij gedurende meer dan twee derde van de 24 maanden voorafgaand aan zijn Nederlandse dienstverband buiten een straal van 150 kilometer van Nederland woonde. De rechtbank oordeelde dat dit moet worden beoordeeld aan de hand van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Belanghebbende stelde dat hij tot december 2015 in India woonde, onderbouwd met persoonlijke banden en tijdelijke verblijven in Duitsland. De inspecteur betwistte dit en wees op het feit dat belanghebbende sinds 2011 een woonruimte in Duitsland had en daar studeerde en werkte. De rechtbank vond dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan 16 maanden buiten de 150-kilometergrens woonde en wees het beroep af.
De rechtbank verwierp ook het argument dat de sterkte van de persoonlijke band met het land van herkomst bepalend zou zijn, en bevestigde dat het woonplaatsbegrip van de AWR leidend is. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de 24-maandstoets voor de 30%-regeling.