Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, van Turkse afkomst, kwam in 2010 voor studie naar Nederland en behaalde in 2012 een masterdiploma. In 2013 trad hij in dienst bij een Nederlandse werkgever en vroeg toepassing van de 30%-regeling aan, die belastingvoordeel biedt aan werknemers die uit het buitenland zijn aangeworven.
De kern van het geschil is of belanghebbende bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst al een woonplaats in Nederland had in de zin van artikel 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De rechtbank stelt vast dat de bewijslast hiervoor bij belanghebbende ligt. Ondanks zijn betoog over sterke banden met Turkije, slaagt hij er niet in aannemelijk te maken dat hij niet in Nederland woonde.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het niet vereist is dat de band met Nederland sterker is dan met enig ander land; het gaat om het bestaan van een duurzame persoonlijke band. Gelet op de feiten, zoals zijn verblijf in Nederland sinds 2010, Nederlandse bankrekening, ziektekostenverzekering en correspondentieadres, concludeert de rechtbank dat belanghebbende al woonplaats in Nederland had bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
Daarom is hij niet aangeworven uit het buitenland en heeft hij geen recht op de 30%-regeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af omdat belanghebbende bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst al een woonplaats in Nederland had en dus niet uit het buitenland is aangeworven.