Aanvrager is eigenaar van een woning nabij het plangebied van een nieuw bestemmingsplan dat de bouw van circa 380 woningen mogelijk maakt. Hij vroeg een tegemoetkoming in planschade wegens waardevermindering van zijn woning. Het college kende aanvankelijk een vergoeding toe, maar trok dit later terug en stelde het opnieuw vast na advies van de SAOZ.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat woningbouw op de gronden verder naar het noorden en noordoosten van het perceel niet voorzienbaar was. De voorzienbaarheid moet worden beoordeeld aan de hand van eerdere structuurvisies en bestemmingsplannen. De rechtbank stelt dat woningbouw op die locatie wel voorzienbaar was, maar niet op de direct aansluitende strook grond.
Verder is de waardevermindering vastgesteld op basis van een taxatie door de SAOZ, die door de rechtbank als deskundig wordt erkend ondanks kritiek op het ontbreken van referentieobjecten. Het college heeft een korting van drie procent van de woningwaarde als normaal maatschappelijk risico gehanteerd, wat de rechtbank redelijk acht. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ook wordt het griffierecht vergoed en een deel van de proceskosten toegewezen.