Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een appartement met bouwjaar 2011 en een inhoud van circa 448 m³ vast op €416.000, welke waarde tevens leidde tot de aanslag onroerende-zaakbelastingen voor 2017. Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen deze waarde en stelde een lagere waarde van €378.000 voor, onderbouwd met een door hem opgestelde matrix.
De rechtbank beoordeelde het taxatierapport van de heffingsambtenaar, dat een waarde van €417.000 bevatte, maar vond dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom pas bij een verschil van meer dan 100 m³ in inhoud het principe van het afnemend grensnut tot aanpassing van de kubieke meterprijs zou moeten leiden. Belanghebbende had evenmin een taxatierapport overgelegd en kon zijn voorgestelde waarde niet aannemelijk maken.
Gezien het ontbreken van voldoende bewijs van beide partijen bepaalde de rechtbank de waarde van de woning in goede justitie op €402.000. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht vergoed. Het beroep werd daarmee gegrond verklaard.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning is verminderd tot €402.000 en de aanslag dienovereenkomstig aangepast.