Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende en haar partner hebben over het belastingjaar 2015 afzonderlijk hun aangiften inkomstenbelasting ingediend met gebruik van de software van de Belastingdienst. Hierbij werd elk 100% van het voordeel uit eigen woning aan zichzelf toegerekend, terwijl het voordeel uit sparen en beleggen aan niemand werd toegerekend. De inspecteur constateerde deze onjuiste toedeling en stelde de aanslag dienovereenkomstig vast, waarbij ook belastingrente werd geheven.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrente, stellende dat de inspecteur de aangifte te laat had behandeld, het rentepercentage van 4% te hoog was en dat de software van de Belastingdienst ongeschikt was om partners afzonderlijk aangifte te laten doen. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur binnen de wettelijke termijnen handelde en dat de belastingrente terecht werd geheven omdat de aanslag afweek van de ingediende aangifte.
Verder oordeelde de rechtbank dat de software bedoeld is om gezamenlijke aangiften te ondersteunen en niet om fouten te corrigeren indien partners afzonderlijk aangifte doen. De fout lag bij de partners zelf, niet bij de software. Ook werd het beroep verworpen dat de belastingrente een schending van het eigendomsrecht zou vormen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft en de systematiek van belastingrente bewust is vormgegeven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de belastingrente van 4% over de periode 1 juli 2016 tot 28 april 2017.