Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een moedervennootschap, heeft voor de periode 1 januari tot en met 31 juli 2013 loon betaald aan haar directeur-grootaandeelhouder (dga) voor werkzaamheden ten behoeve van haar dochtervennootschap [A] BV in oprichting. Belanghebbende heeft in haar aangiften loonheffingen een S&O-afdrachtvermindering geclaimd, terwijl zij zelf niet over een S&O-verklaring beschikt; deze is afgegeven aan de dochtervennootschap.
De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat belanghebbende ten onrechte de afdrachtvermindering heeft toegepast. Belanghebbende stelde dat zij teveel loonheffingen heeft betaald en dat de naheffingsaanslag daarom onterecht is. De rechtbank oordeelt dat op grond van de wettelijke bepalingen alleen de inhoudingsplichtige met een eigen S&O-verklaring de afdrachtvermindering kan toepassen.
Daarnaast faalt het betoog dat sprake is van teveel betaalde loonheffingen, omdat de dochtervennootschap in de betwiste periode nog niet was opgericht en geen aangiften kon indienen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag loonheffingen wordt ongegrond verklaard.