Eiseres stelde beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk over de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Zij betwistte de wijze van tarifering en het onderscheid in de Verordening, stellende dat het tarief te laag is en niet voldoende is geregeld.
De rechtbank oordeelde dat de tariefdifferentiatie in artikel 12a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2018 voldoet aan de eisen van de rechtspraak. De tarieven zijn uitgedrukt als percentages van de kostprijs van de goedkoopste adequate voorziening in natura, en het college heeft voldoende onderbouwd hoe het uurtarief van € 11,40 tot stand is gekomen.
Verder stelde eiseres dat haar hulpverlener niet tot haar sociale netwerk behoort en dat daarom een hoger tarief van 75% van de kostprijs zou moeten gelden. De rechtbank stelde vast dat de hulpverlener een overbuurvrouw is die al jaren informele hulp verleent en niet als zelfstandige staat ingeschreven, waardoor zij tot het sociale netwerk behoort.
De CAO VVT is niet van toepassing omdat het hier om informele hulp gaat. Het tarief van € 11,40 per uur is hoger dan het minimumloon en voldoende om verantwoorde informele hulp in te kopen. De wens van eiseres om haar vertrouwde hulp te behouden is begrijpelijk maar niet doorslaggevend voor de toereikendheid van het tarief.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.