Appellante, met lichamelijke beperkingen, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor schoonmaakondersteuning, waarbij het college van Emmen het tarief verlaagde tot 50% van het standaardtarief omdat zij iemand uit haar sociale netwerk inschakelde. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat differentiatie in tarieven is toegestaan en het verlaagde tarief passend is.
In hoger beroep stelde appellante dat de tariefdifferentiatie onrechtmatig was en dat de maatwerkvoorziening ten onrechte niet de wasverzorging omvatte. De Raad stelde vast dat de gemeenteraad volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) de kaderstellende rol heeft en dat essentiële onderdelen, zoals tariefdifferentiatie, in de verordening moeten worden vastgelegd. Het college had ten onrechte de bevoegdheid gekregen om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt de terughoudendheid die gemeenten moeten betrachten bij delegatie van regelgevende bevoegdheden aan het college.