Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een financiële holding, vorderde teruggaaf van btw die zij aan derden betaalde voor werkzaamheden bij de verkoop van aandelen in een dochtermaatschappij. De inspecteur weigerde deze aftrek en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde dat de werkzaamheden vrijgesteld waren van btw en dat zij de btw daarom mocht aftrekken.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet bevoegd is om in deze procedure de btw-kwalificatie van de door derden verrichte activiteiten te laten toetsen; dit is voorbehouden aan de dienstverleners zelf. Verder is geen sprake van een economische activiteit die binnen de btw-werkingssfeer valt, zodat aftrek op grond van artikel 15 Wet Pro OB niet mogelijk is. Ook het beroep op het Besluit van 3 augustus 2004 faalt omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat zij zich met de dochtermaatschappij bemoeide op een wijze die btw-belast is.
De rechtbank concludeerde dat de btw niet in aftrek kan worden gebracht en dat belanghebbende de civiele weg moet bewandelen indien zij meent dat de btw ten onrechte is gefactureerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de teruggaaf van btw wordt geweigerd.