Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap die in 2014 is geliquideerd, betwistte de aanslag inkomstenbelasting 2014 en de daarbij behorende belastingrente en revisierente opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de afwikkeling van pensioen- en lijfrenteaanspraken in box 1 en de hoogte van het liquidatievoordeel in box 2.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende zijn lijfrente- en pensioenaanspraken in 2014 heeft prijsgegeven, waarbij de inspecteur de waarde van deze aanspraken op basis van de vennootschapsbelastingaangifte 2009 correct heeft vastgesteld. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat deze aanspraken niet voor verwezenlijking vatbaar waren. Ook het liquidatievoordeel werd door de rechtbank bevestigd, waarbij de inspecteur de waarde van de rekening-courantvordering als uitgangspunt nam en de verkrijgingsprijs en een informele kapitaalstorting in mindering bracht.
De rechtbank volgde de inspecteur in zijn redelijke reconstructie van het liquidatievoordeel, ondanks het ontbreken van betrouwbare balansgegevens na 2009. Tevens werd geoordeeld dat het voordeel uit aanmerkelijk belang naar rato van 50% moet worden toegerekend aan belanghebbende en zijn echtgenote, aangezien zij geen afwijkende verdeling hadden gekozen.
De beschikking revisierente werd terecht opgelegd op grond van de waardering van pensioen- en lijfrenteaanspraken. De belastingrente werd verminderd overeenkomstig de aangepaste aanslag. Ten slotte werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en werd het betaalde griffierecht vergoed.